Interpellatie vossenjacht in commissie Leefmilieu
Op dinsdag 7 februari debatteerde de commissie Leefmilieu in het Vlaams Parlement over de versoepeling van de jacht op de vos. Ondanks overtuigende wetenschappelijke argumenten tégen die versoepeling, houdt minister Schauvliege vast aan haar besluit. Er blijven echter nog veel onduidelijkheden bij deze beslissing bestaan.Zo is niet duidelijk aangegeven wanneer er sprake is van ernstige schade of schade tout court, hoe en door wie die wordt vastgesteld en wat de schadelijder moet ondernomen hebben om eventuele schade te voorkomen zoals bepaald in het Jachtvoorwaardenbesluit. Nochtans waren dit belangrijke elementen uit het advies van de Minaraad ter zake. Voor mij is ondertussen dan ook duidelijk geworden dat deze beslissing alleen is ingegeven door de jachtlobby en niet gesteund is op wetenschappelijke inzichten die volgens mij hier publiekelijk naar voor werden gebracht tijdens een ruime en interessante hoorzitting op 26 oktober 2010.
Het volledige verslag van de commissie Leefmilieu:
Interpellatie van de heer Mark Demesmaeker tot mevrouw Joke Schauvliege, Vlaams
minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, over het recent gewijzigde
Jachtvoorwaarden- en Jachtopeningsbesluit, met name met betrekking tot de
vossenjacht
- 55 (2011-2012)
Interpellatie van de heer Dirk Peeters tot mevrouw Joke Schauvliege, Vlaams minister
van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, over de versoepeling van de jachtvoorwaarden voor
de vos
- 60 (2011-2012)
De voorzitter: De heer Demesmaeker heeft het woord.
De heer Mark Demesmaeker: Minister, voorzitter, collega’s, mijn interpellatie betreft een
maatschappelijk nogal emotioneel dossier, zoals we de afgelopen weken mochten
ondervinden.
De Vlaamse Regering heeft op uw voorstel de wijzigingen aan het Jachtvoorwaarden- en
Jachtopeningsbesluit voor de tweede keer principieel goedgekeurd. Daarmee heeft de
Vlaamse Regering in dit dossier verdere stappen gezet. Enkele wijzigingen houden verband
met de aanpassing van de jachtmogelijkheden op de vos. Samengevat komt het hierop neer:
tot op vandaag mocht er van 1 oktober tot 14 februari worden gejaagd op de vos. In de
toekomst wordt het ook mogelijk om buiten die periode te jagen, maar alleen binnen de 500
meter van de plaats waar er schade kan worden verwacht.
Over dit dossier werd al meerdere malen discussie gevoerd, ook in de plenaire vergadering.
Bij die gelegenheid heeft onze fractie ook al herhaaldelijk haar standpunt over een mogelijke
versoepeling van de jacht op de vos duidelijk gemaakt. Wetenschappelijke inzichten hebben
ons namelijk geleerd dat een versoepeling van de lokale bejaging die populatie niet kan
regelen. De vos is een inheemse diersoort en een bij ons van nature voorkomende
toppredator. De jachtdruk op de vos is al aanzienlijk en de eerste verantwoordelijkheid om
schade aan neerhofdieren te vermijden, ligt bij de burger zelf.
In De Morgen lezen we naar aanleiding van de regeringsbeslissing wat de wetenschappelijke
wereld ons aan inzichten heeft bijgebracht: “Vossenexpert Koen Van den Berge geeft advies
aan de Vlaamse regering. ‘Als elke Vlaming zijn kippenhok vosvrij wil maken, dan wordt het
dier uitgeroeid in Vlaanderen’, zei hij in het VRT-programma Panorama. ‘Bestrijding leidt
ertoe dat vossen reproductief gaan reageren: meer wijfjes nemen deel aan de voortplanting en
hun worpen worden groter.’ Natuurpunt meent dat het afschieten van vossen weinig zin heeft.
Wim Van Gils: ‘Vossen zijn territoriale dieren: lege territoria die ontstaan door een gedode
vos worden ingevuld door een ander, meestal jonger exemplaar. Wie zijn kippen wil
beschermen, moet investeren in een gesloten nachthok.’”
Voor Knack schreef Dirk Draulans een bijdrage, waarin hij ingaat op het begrip ‘schade’: “Er
zal op veel plaatsen schade verwacht worden. Wie gaat dat controleren, dat er effectief ergens
een probleem zou kunnen zijn? De minister tracht zich weg te steken achter een advies van de
Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad), maar die adviseerde om eerst en vooral
schade goed te definiëren en een eventuele afwijking van een jachtverbod te koppelen aan
preventieve maatregelen om schade te vermijden. Dat is niet gebeurd. De vos wordt
overgeleverd aan de willekeur van geweerdragers. Hoeveel plaatsen waar schade kan worden
verwacht zullen er niet toevallig in de buurt liggen van burchten met vossenjongen die zullen
creperen als een van hun ouders wordt afgeschoten?”
Minister, een eerste versie van dit besluit werd door de Vlaamse Regering in het najaar van
2010 reeds voor de eerste keer principieel goedgekeurd. Het advies van de Minaraad dateert
van 3 februari 2011. Er waren toen meerdere punten van kritiek. Uit de vele debatten en de
Commissievergadering nr. 4 C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012
hoorzittingen is ook duidelijk gebleken dat de schade aan pluimvee niet kan worden
vermeden door een opgedreven bejaging of bestrijding van vossen, tenzij men kiest voor de
totale uitroeiing, wat niemand van ons volgens mij wil. We draaien de mensen een rad voor
de ogen als we het anders beweren. Met die wetenschappelijke bevindingen wordt volgens
ons te weinig rekening gehouden in de aanpassingen van de jachtwetgeving, tenzij er
natuurlijk ondertussen nieuwe studies voorhanden zijn.
Minister, zijn er nieuwe wetenschappelijke studies of bevindingen waarop u zich gebaseerd
hebt om de uitbreiding van de bejagingsmogelijkheden op de vos te motiveren? Zo ja, welke?
Welke doelstelling wenst u te bereiken met de aanpassing van de jachtwetgeving naar de
bejaging van de vos? Hoe onthaalt u het advies van de Minaraad van februari 2011 met
betrekking tot het feit dat het belangrijk is om in eerste instantie duidelijk aan te geven wat
schade is en dat bijzondere bejaging niet kan worden uitgevoerd met kastvallen volgens
artikel 19 van het Jachtdecreet?
Met de aanpassing van het Jachtopeningsbesluit wordt voorzien in de mogelijkheid van de
bijzondere bejaging van de vos, na voorafgaande melding. Het Agentschap voor Natuur en
Bos (ANB) kan dat echter weigeren. Op welke basis kan ANB de bijzondere jacht op de vos
weigeren? Worden hier richtlijnen voor uitgeschreven? Hoe wordt de naleving van die regels
gegarandeerd? Is die regeling praktisch hanteerbaar, realiseerbaar?
De aanpassing van het Jachtopeningsbesluit laat gedurende het hele jaar bejaging toe op de
vos. Op welke manier wordt de veiligheid van andere ruimtegebruikers van het buitengebied
gewaarborgd? Is het misschien niet aangewezen om in bepaalde periodes van het jaar alsnog
een verbod op bijzondere bejaging in te stellen – ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de
schoolvakanties, en zeker de zomervakantie?
Soorten die het moeilijk hebben, al dan niet mede als gevolg van predatie door de vos,
moeten beter beschermd worden volgens het Soortenbesluit en de soortenbeschermingsplannen.
Waarom hebt u niet voorzien in een aanpassing van het Soortenbesluit in combinatie
met de aanpassing van de jachtwetgeving?
Zult u een evaluatieperiode inbouwen om de besluiten desgevallend nog te kunnen bijstellen?
Zo ja, wanneer wenst u deze evaluatie af te ronden?
De voorzitter: De heer Peeters heeft het woord.
De heer Dirk Peeters: Zoals de collega zegt, heeft de Vlaamse Regering reeds voor de
tweede maal een ontwerpbesluit getroffen waarbij de jachtvoorwaarden op de vos worden
versoepeld. Na goedkeuring door het Agentschap voor Natuur en Bos zou in geval van
schade aangericht door de vos, de vos bestreden kunnen worden in een straal van 500 meter
rond het schadegeval. Volgens mij is dit een groot gedeelte van de Vlaamse oppervlakte waar
vossen kunnen voorkomen.
Er blijven nog veel onduidelijkheden bij deze beslissing bestaan. Zo is niet duidelijk
aangegeven wanneer er sprake is van ernstige schade of schade tout court, hoe en door wie
die wordt vastgesteld en wat de schadelijder moet ondernomen hebben om eventuele schade
te voorkomen zoals bepaald in het Jachtvoorwaardenbesluit. Nochtans waren dit belangrijke
elementen uit het advies van de Minaraad ter zake.
Voor mij is ondertussen dan ook duidelijk geworden dat deze beslissing alleen is ingegeven
door de jachtlobby en niet gesteund is op wetenschappelijke inzichten die volgens mij hier
publiekelijk naar voor werden gebracht tijdens een ruime en interessante hoorzitting op 26
oktober 2010. Toen hebben we een wetenschappelijke achtergrond gekregen bij deze
problematiek.
Het is dan ook logisch dat er steeds meer maatschappelijk verzet komt tegen deze beslissing
omdat velen niet begrijpen waarom de vos, die een tijdlang verdwenen leek omdat hij
systematisch werd verdelgd, nu plots overal wordt opgejaagd.
Commissievergadering nr. C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012 5
Minister, wat moet er nu precies onder ‘schade’ worden verstaan? Is dat één kip, twee kippen
of een hele kippenren? Is dat één geval of herhaalde gevallen na elkaar? Welke concrete
preventieve maatregelen had de schadelijder moeten hebben genomen om schade te
voorkomen? Op welke juridische gronden is de bejaging met kastvallen en met niet-dierlijk
lokaas mogelijk gemaakt? Hoe denkt u dit alles veilig te kunnen organiseren in ons dicht
bevolkte en dicht bebouwde Vlaanderen? Mijn hoofdvraag ten slotte is: bent u bereid dit
besluit over de versoepeling van de jacht op de vos alsnog in te trekken?
De voorzitter: De heer Ceyssens heeft het woord.
De heer Lode Ceyssens: Voorzitter, als ik alle bemerkingen hier hoor, dan stel ik me de
vraag of het nog wel nuttig is dat we volgende week een hoorzitting organiseren. Vooral in
het eerste betoog hoorde ik dat de wetenschappelijke onderbouwing uit de pers komt, eerder
dan uit de hoorzitting van die namiddag.
Ik wil nog eens even teruggrijpen naar die hoorzitting. ANB is ons komen toelichten welke
middelen er al voorhanden waren op dit moment. Het was een heel duidelijke uiteenzetting.
Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is ons wat inzichten komen brengen in
de samenhang tussen de verschillende dierlijke ketens in onze natuur. We hebben ook een
toelichting gekregen van onze noorderburen over jachtbeheer en schadebestrijding in
Nederland. Er werd ook toegelicht waarom in Nederland van zonsopgang tot zonsondergang
op de vos gejaagd wordt omdat er in Nederland een heel belangrijke schade wordt aangericht,
niet alleen aan weidevogels en akkervogels maar ook aan Natura 2000-doelsoorten, aan
hamsters. Men heeft gezegd dat, meer nog, op plaatsen waar het echt te erg is, er nog
aanvullingen mogelijk zijn om weidevogeldoelstellingen te halen of om bedrijfsmatige
schade te voorkomen.
De Hubertus Vereniging Vlaanderen is hier geweest om ons te wijzen op wat bij iedereen
bekend is, namelijk de schade die wordt aangericht aan pluimvee. Volgens hun inzicht is er
ook een daling van het aantal grutto’s, kieviten, scholeksters en hamsters. Natuurpunt heeft
een ander standpunt gebracht en heeft gezegd dat wie pluimvee heeft, maar moet zorgen dat
dat pluimvee afdoende wordt beschermd. Ook Natuurpunt heeft gezegd dat als predatie een
probleem wordt, gebiedsgerichte maatregelen mogelijk moeten zijn.
Het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid heeft ons wat gerustgesteld en relativeerde
erg de mythe, die wat opgeklopt werd, dat we heel erg moeten uitkijken voor besmettingen
door de vos. Uit de bevindingen van het instituut kwam dat er een heel laag besmettingsrisico
was. De landbouwsector meldde ons dat voor wat betreft de professionele landbouw er niet
meteen een probleem was, maar dat dat probleem zich eerder situeert bij de kleine kweker
van neerhofdieren.
Dan kreeg er iemand het woord die niet was uitgenodigd in de commissie. Misschien is dat
wel een unicum. Hij kreeg het woord van mensen die wel uitgenodigd waren. Het was een
onderzoeker uit Nederland nota bene, waar het jaar rond op de vos mag worden gejaagd.
Deze onderzoeker begon merkwaardig genoeg zijn betoog met te zeggen dat de vos opnieuw
zijn natuurlijke verspreiding kent bij ons nadat hij was teruggedrongen door jaren van
inhumane bestrijding. Voordat mijn woorden verkeerd geïnterpreteerd worden: ik ben geen
pleitbezorger van inhumane bestrijding, maar ik las letterlijk dat de vos verdwenen was door
een jarenlange bestrijding.
In het betoog werd inderdaad erkend dat er in gebieden met bodembroeders niet minder
broedparen waren, maar dat er duidelijk een lager broedsucces was. Dezelfde onderzoeker
concludeerde dat bejaging alleen effectief is als die heel intensief beoefend wordt en
geconcentreerd in een klein gebied, misschien ongeveer met een straal van 500 meter. Ik weet
het niet precies, maar het komt volgens mij ongeveer overeen met wat hier beslist werd
binnen de bijzondere bejaging.
Commissievergadering nr. 6 C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012
Onder meer vanuit het INBO werd heel duidelijk het volgende gezegd: “Wanneer hebben we
schade? We hebben schade wanneer wij als maatschappij ervaren dat er schade is.”
Over het pluimvee wil ik een persoonlijke bedenking maken. Er wordt heel gemakkelijk
gezegd dat iemand die pluimvee wil hebben, er maar voor moet zorgen dat hij een afgesloten
nachthok heeft. Per definitie zeggen we daar dus ook mee dat alle mensen die bij
zonsondergang niet thuis zijn, zich moeten onthouden van het houden van pluimvee. Enkele
weken geleden werd in de pers voorgesteld om te werken met een automatisch systeem om
rolluiken naar beneden te laten. Ik heb daar van een aantal mensen inderdaad een positieve
reactie op gehoord; ze zeiden dat ze ook eens zouden bekijken of ze zo’n systeem niet op hun
woning konden installeren om de rolluiken automatisch neer te laten als het donker wordt.
Niet alle kwekers van neerhofdieren zijn kwekers die daar 24 uur op 24 uur mee bezig zijn. In
Limburg stimuleren we de mensen al jaren om kippen te houden om afval te verwerken. Dat
stimuleren gaat zo ver dat er gratis kippen geschonken worden en dat er hokken aan een
betaalbare prijs worden aangeboden. We proberen het dus heel duidelijk laagdrempelig te
houden, maar anderzijds zouden we in hetzelfde Vlaanderen nu zeggen dat wie kippen wil
houden, eerst een serieuze bunker moet bouwen. We moeten daar eens goed over nadenken
voor we zomaar zeggen dat wie neerhofdieren wil houden, een hok moet hebben dat ’s nachts
afgesloten is.
Minister, ik heb een bijkomende vraag. Ik heb al een paar keer verwezen naar de druk op de
bodembroeders. Sinds 15 jaar investeren we in Vlaanderen in bepaalde gebieden al heel
intensief in weidevogels: het beheren van weidevogels en het stimuleren van het hebben van
nesten op bepaalde percelen. Anderzijds zijn we vandaag ook bezig met onze
instandhoudingsdoelstellingen waarbij we ons bepaalde doelstellingen opleggen voor het
behalen van een aantal soorten. Monitoren we vandaag voldoende wat in dergelijke gebieden
de predatiedruk is? Als we monitoren, grijpen we dan ook voldoende in? Zo niet, zou ik
durven te zeggen dat we op sommige plaatsen dweilen met de kraan open: we leggen ons
doelstellingen op voor het behalen van een aantal soorten, maar als het om de predatie van die
soorten gaat, kijken we gewoon de andere kant uit.
Minister, ik begrijp het perfect als u vandaag niet kunt antwoorden op de volgende vraag. Is
het in het kader van de bijzondere bejaging met het op til zijn van het nieuwe
Jachtopeningsbesluit, ook mogelijk om voor het konijn en de houtduif te kijken naar een
bijzondere bejaging in een straal van 200 meter bij akkerteelten? Ik bedoel dan niet gras, maïs
of aardappelen, maar alle andere teelten die schade kunnen ondervinden van deze soorten.
De voorzitter: Mevrouw Van der Borght heeft het woord.
Mevrouw Vera Van der Borght: Voorzitter, ik wil me graag aansluiten bij de bedenkingen
die de heer Ceyssens heeft gemaakt. Ik ben niet van plan om de hele discussie over te doen
die we bij de hoorzitting hebben gevoerd. Ik wil ter verduidelijking een aantal elementen
meegeven die te vinden zijn op Wikipedia. Wikipedia is immers een soort van encyclopedie
op het internet waarvan we toch mogen veronderstellen dat die gebaseerd is op een aantal
elementen die correct zijn.
Ik lees gewoon wat daar staat: “Vossen jagen solitair, meestal ’s nachts en in de schemering,
maar in onverstoorde gebieden jaagt hij liever overdag. De vos is een opportunist, hij eet
bijna alles. Hij kan hard rennen, tot 60 kilometer per uur, alhoewel 6 tot 13 kilometer per uur
de normale snelheid is. Zijn prooien zijn meestal kleine en middelgrote prooidieren zoals
grote kevers, muizen, andere knaagdieren, konijnen, hazen, volgens, eieren, regenwormen,
egels. Ook vruchten en bessen, vooral bramen, worden gegeten, evenals placenta’s en afval.
Dagelijks moet een vos ongeveer 500 gram aan voedsel binnenkrijgen. Een vos doodt soms
meer dan hij nodig heeft. Vooral op plaatsen waar meerdere prooidieren op elkaar zitten en
niet kunnen ontsnappen, kan hij een ware slachtpartij aanrichten, bijvoorbeeld in
Commissievergadering nr. C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012 7
kippenhokken of kolonies van grondbroedende vogels zoals kokmeeuwen. Voedselresten
worden begraven en later weer opgezocht, maar de vos legt geen voorraden aan.”
Even verder las ik het volgende over de verspreiding en het leefgebied: “De vos heeft
tegenwoordig het grootste verspreidingsgebied van alle roofdieren, voorheen was dit de wolf.
Hij komt voor over praktisch het gehele noordelijke halfrond, van de poolcirkel tot Noord-
Afrika, Midden-Amerika en het Aziatische steppegebied. De soort ontbreekt alleen in te hete
woestijnen, koude toendra’s en op eilanden als IJsland. Hij is geïntroduceerd in Australië, de
Falklandeilanden en op het eiland Man waar hij waarschijnlijk weer is uitgestorven. De vos
kan zich goed aanpassen en komt in bijna elke habitat voor: woestijnen, toendra’s,
moerassen, gebergten, duinen en landbouwgebieden. Onder andere in Engeland komt de vos
ook voor in stedelijk gebied voornamelijk in buitenwijken waar huizen grote tuinen hebben
en in stadsparken.”
Waarom lees ik dit nu voor? (Opmerkingen van de heren Wilfried Vandaele en Hermes
Sanctorum)
We kennen uw mening daarover, mijnheer Vandaele. U hecht toch geen belang aan wat hier
tijdens de hoorzitting is gezegd door mensen met een wetenschappelijke kennis. U veegt dat
allemaal van tafel. Wij doen dat niet.
Tot daar deze toelichting voor wie er nog aan zou twijfelen of de vos al dan niet schadelijk is.
De voorzitter: Minister Schauvliege heeft het woord.
Minister Joke Schauvliege: Wanneer het debat in deze commissie gaat over de jacht en
specifiek over de vos, dan wordt het meestal een nogal emotioneel debat. Het heeft weinig zin
om te verwijzen naar de pers om zijn mening te staven of er andere elementen bij te halen.
We moeten dit debat zo veel mogelijk trachten te objectiveren. Dat is wat we binnen de
Vlaamse Regering hebben gedaan, mijnheer Demesmaeker, waar uw partij deze maatregel
mee heeft goedgekeurd.
Er is een maatschappelijk debat bezig. Daarbij zijn er vragen van mensen die overlast en
schade ervaren, vooral op het platteland en van mensen die vinden dat de vos nog meer moet
worden beschermd.
We hebben ons gebaseerd op twee belangrijke elementen. Een daarvan is de hoorzitting
waarin een heel aantal elementen naar voren is gekomen. De heer Ceyssens heeft daaruit een
mooie selectie geciteerd. Daarnaast is er het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO).
Dat is ons eigen wetenschappelijk instituut dat dergelijke maatregelen moet onderbouwen en
daar wetenschappelijke studies over lanceert. We hebben ons effectief gebaseerd op wat het
INBO zegt. Ik heb de studie van het INBO bij me. Op bladzijde 26 van die studie staan onder
beheersdoelstellingen inzake jacht en wild en heel specifiek over de vos, twee doelstellingen.
De eerste doelstelling betreft het verlagen van de densiteit van de vossenpopulatie. De tweede
doelstelling is het tijdelijk verlagen van de densiteit van de vossenpopulatie om het risico op
schade in een bepaalde periode van het jaar te verminderen.
Op de bladzijden 41 en 42 komt het INBO tot een wetenschappelijke conclusie.
Verschillende wetenschappelijke studies tonen aan dat het toepassen van één maatregel of
een combinatie van verschillende geschikte maatregelen op lokale schaal, een vossenpopulatie
wezenlijk kan reduceren. Zowel de eerste als de tweede doelstelling kan op dat vlak
een oplossing bieden. Dat is ook de beslissing die de Vlaamse Regering heeft genomen.
Na de eerste principiële beslissing kwam er een unaniem advies van de Minaraad waarin het
brede maatschappelijke middenveld aanwezig is. De Minaraad onderscheidt drie krachtlijnen
voor het beleid ten aanzien van vossen. Het uitgangspunt is de gewone jacht waarbij er wordt
gestreefd naar een duurzame vossenpopulatie. Hier ligt de eerste uitdaging in het omschrijven
van de wenselijke omvang van die populatie. Daarenboven en indien van toepassing kan in
geval van door vossen veroorzaakte wildschade bijzondere bejaging worden ingezet. Indien
Commissievergadering nr. 8 C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012
men meent ervan gebruik te moeten maken, kan onder andere een nieuwe openingstijd voor
bijzondere jacht in het Jachtopeningsbesluit worden ingeschreven.
Tot slot en eveneens indien van toepassing moet interferentie van vossenpredatie met
natuurbehouddoelstellingen behandeld worden op basis van de soortenbeschermingsplannen
in uitvoering van het Soortenbesluit.
Op basis van al die elementen hebben we deze beslissing genomen en zijn we overgegaan tot
het tijdelijk en plaatselijk regelen van de populatiedensiteit om schade te voorkomen.
Deze maatregel is tot stand gekomen om een antwoord te bieden op de situatie waar de vos
voor overlast zorgt, onder andere bij pluimvee en grondbroeders. De mogelijkheid wordt op
die manier groter om in te grijpen of te laten ingrijpen waar en wanneer de vos tot materiële
schade aanleiding geeft. Het is een zeer lokale maatregel, heel beperkt in tijd en onder strikte
voorwaarden.
Mijnheer Demesmaeker, volgens de Minaraad moet schade worden gedefinieerd. Het gaat
hier om bijzondere bejaging. Ik verwijs naar artikel 1, 10°, van het besluit van de Vlaamse
Regering, wanneer het gaat over bijzondere bejaging: “De jachtactiviteiten die buiten de
gewone openingstijden maar onder bijkomende voorwaarden afzonderlijk worden toegestaan
binnen bepaalde aanvullende openingstijden, als dat noodzakelijk is te voorkoming van
belangrijke schade aan gewassen, weiden of eigendommen, voor het natuurbeheer of voor de
veiligheid van het luchtverkeer.”
Volgens dat artikel moet het dus gaan om belangrijke schade. Het klopt dat die belangrijke
schade niet nader omschreven werd in de regelgeving. De bijzondere bejaging is overigens
niet nieuw en geldt evengoed voor andere diersoorten. De vraag wat we onder schade moeten
verstaan, werd hier trouwens nog nooit gesteld. Het is naar aanleiding van deze beslissing dat
u mij plots de vraag stelt wat bijzondere schade is.
Blijven we bij de pakken zitten? Neen, zeker niet. We hebben, toen we de beslissing
genomen hadden, het ANB de opdracht gegeven het begrip schade nader te verduidelijken,
zoals ook gevraagd door de Minaraad. Dat zal ook gebeurd zijn op het moment dat we deze
beslissing definitief goedkeuren. Het is dus eigenlijk een dubbel pakket.
Er wordt terecht gevraagd naar concrete preventieve maatregelen. Je moet ook steeds inzetten
op het voorkomen van schade. Mijnheer Peeters, u vraagt wat we verstaan onder het nemen
van voldoende maatregelen ter bescherming of ter voorkoming van schade. Ook dat is
redelijk subjectief. Om te oordelen of de genomen preventieve maatregelen voldoende zijn
om in aanmerking te komen voor het uitvoeren van die bijzondere bejaging, is er inderdaad
nood aan een kader over welke maatregelen het moet gaan. Ook daar wordt aan gewerkt. De
diensten zijn meteen beginnen werken aan een kader dat zal worden uitgewerkt in een soort
van gedragscode ‘preventieve maatregelen in relatie tot schade’. Dat zal in dit voorjaar nog
klaar zijn. Op die manier wordt er specifiek uitgewerkt wat je kunt doen aan preventieve
maatregelen om schade door de vos te voorkomen.
Mijnheer Demesmaeker, u hebt vragen over de kastvallen. Dat is ook een onderdeel van de
beslissing die binnen de meerderheid door de Vlaamse Regering werd genomen. We baseren
ons daarvoor op artikel 21 van het Jachtdecreet. Daarin staat: “Onverminderd de bepaling van
artikel 19 kan de Vlaamse Regering in het gehele of een gedeelte van het grondgebied van het
Vlaamse Gewest een regeling treffen voor het gebruik van projectielen, tuigen, toestellen of
procedés ter uitvoering van de jacht.” We hebben vertrouwen in de wijsheid van de Raad van
State. We zullen zijn advies dus afwachten om definitief te kunnen zeggen of dit voldoende is
of niet.
Mijnheer Demesmaeker, u stelt dat met de aanpassing van het Jachtopeningsbesluit in de
mogelijkheid wordt voorzien van de bijzondere bejaging van de vos, na voorafgaande
melding. Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) kan dat echter weigeren. U vraagt op
Commissievergadering nr. C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012 9
welke basis het dat kan. Ook daar wordt een intern richtlijnkader uitgewerkt dat moet
mogelijk maken om daar een objectieve en uniforme toetsing te hebben. We hebben nog wat
tijd voor de definitieve goedkeuring. Wanneer de wetgeving definitief van kracht zal zijn, zal
dat ook in een ministeriële omzendbrief worden verduidelijkt.
De heer Demesmaeker en de heer Peeters vragen ook naar de veiligheid. Door een combinatie
van een systeem van gewone jacht, bijzondere bejaging en bestrijding kan de jager nu reeds –
zonder dat de wetgeving al definitief van kracht is – het hele jaar door op het terrein aanwezig
zijn. Indirect is er dus geen uitbreiding van de periode dat jagers met een vuurwapen op het
terrein actief kunnen zijn. De bijzondere bejaging op de vos schept wel meer mogelijkheden
om op te treden bij overlast. Daardoor zullen er mogelijk meer jagers tijdelijk en heel
plaatselijk op het terrein actief zijn. Inzonderheid zal dit het geval zijn in de buurt waar er
zich mogelijke schadegevallen voordoen.
De mogelijke schade situeert zich aan neerhofdieren en in de nabijheid van bewoning of
bebouwing. Ik beklemtoon hier uitdrukkelijk dat de jacht enkel kan worden uitgeoefend door
personen die daarvoor over de nodige bewijzen van kennis en kunde beschikken. Zij moeten
ook aantonen dat ze een veilige omgang met wapens kunnen garanderen. Ik reken er verder
op dat jagers, wanneer ze actief zijn in de buurt van bewoning, de geldende
veiligheidsvoorschriften nog strikter dan anders het geval is, zullen toepassen.
Er wordt heel veel verwezen naar het buitenland. In heel wat van de ons omringende landen,
zoals Nederland, maar ook in Wallonië en Frankrijk, geldt er een heel andere, veel ruimere
regeling. Men kan daar nog veel meer over het jaar jagen. Daar stellen zich geen problemen.
Bij ons is dat, in vergelijking met die landen, nog heel beperkt. Er wordt ook vaak naar
wetenschappelijke studies uit die landen verwezen.
Mijnheer Demesmaeker, u verwijst naar soorten die het moeilijk hebben, als gevolg van
predatie door de vos. U vraagt om een aanpassing van het Soortenbesluit in combinatie met
de aanpassing van de jachtwetgeving. Momenteel is er geen directe aanleiding of vaststelling
op basis waarvan we de vos als een bedreiging zouden beschouwen voor andere in het wild
voorkomende fauna. Mijnheer Ceyssens, hiermee geef ik eigenlijk ook een antwoord op uw
vraag. Het klopt wel dat we momenteel begonnen zijn met een soort monitoring, een
proefproject in een aantal gebieden om na te gaan wat de effecten zijn. Op de
Linkerscheldeoever is men zo al met een project gestart. Op basis daarvan kunnen dan
beslissingen worden genomen.
Mijnheer Demesmaeker, indien u daar nog andere zaken mee zou bedoelen, is mij dit niet
duidelijk in uw vraagstelling. Ik hoor dan wel graag op welke wetenschappelijke studies u
zich baseert om voor te stellen het Soortenbesluit aan te passen, aangezien u toch graag
verwijst naar wetenschappelijke studies.
Er is geen specifieke evaluatie of evaluatieperiode gepland, maar uiteraard is het een
permanente opdracht voor de overheid en het ANB om in het oog te houden of de wetgeving
de doelstelling bereikt en of er eventueel voorstellen kunnen zijn tot aanpassing. Ik ben er
zeker van dat dit vanuit deze commissie nauw in het oog zal worden gehouden.
Mijnheer Peeters, u vraagt of ik dit besluit wil intrekken. Het besluit werd principieel
goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Ik zie dan ook geen redenen om dit besluit
alsnog in te trekken. Ik weet ook niet of daar binnen de Vlaamse Regering een draagvlak voor
zou zijn. Het besluit werd goedgekeurd en ligt nu voor advies voor bij de Raad van
State. De definitieve beslissing zal nadien worden genomen.
Collega’s, de nieuwe maatregel is niet bedoeld om de vossenpopulatie binnen Vlaanderen
effectief te reguleren of om een aantal overpopulaties tegen te gaan. De bedoeling van de
bijzondere bejaging is effectief om ervoor te zorgen dat schade voorkomen wordt. Dat is een
Commissievergadering nr. 10 C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012
heel belangrijke nuance, die ik hier wil meegeven en die af en toe helemaal anders wordt
voorgesteld.
Collega’s, jullie verwijzen naar het maatschappelijke debat dat op gang is gekomen door de
beslissing die wij hebben genomen. Ik wil u graag wijzen op het feit dat er inderdaad heel wat
reacties op gekomen zijn, maar dat het maatschappelijke debat absoluut niet één richting
uitgaat. Er zijn evenveel reacties voor als tegen. Die aantallen zijn bijna in evenwicht. Er zijn
zelfs iets meer reacties pro dan contra de genomen beslissing. Misschien klinken een aantal
stemmen luider op bepaalde fora of sociale media, maar ik kan u verzekeren dat er bij de
reacties die we ontvingen, absoluut geen overwicht is van een bepaalde emotionele reactie.
Het is eerder een genuanceerd verhaal.
De voorzitter: De heer Demesmaeker heeft het woord.
De heer Mark Demesmaeker: Minister, ik dank u voor uw antwoord en de toelichting. Dit
debat heeft inderdaad zowel pro’s als contra’s losgeweekt. In het begin van mijn vraagstelling
zei ik al dat het voor heel veel mensen een emotioneel dossier is. Wij vinden in de eerste
plaats dat wetenschappelijke inzichten een belangrijke referentie moeten zijn en blijven.
U verwijst naar het INBO, dat stelt dat een combinatie van verschillende maatregelen op
lokale schaal een tijdelijke en plaatselijke oplossing kunnen vormen. De vraag is of je de
mensen die schade lijden, niet een beetje een rad voor de ogen draait wanneer je stelt dat je
met een plaatselijke en lokale oplossing hun problemen uit de wereld helpt. Ik vrees dat dat
niet het geval is. Het blijft plaatselijk en tijdelijk. De enige manier om er zeker van te zijn dat
je schade vermijdt, is door het nemen van preventieve maatregelen.
Ik heb zelf ook heel wat verschillende reacties ontvangen. U hebt de mensen ook per mail
geantwoord. Daarin haalt u onder andere argumenten aan die u nu ook in uw antwoord naar
voren hebt gebracht. U schrijft: “ Zoals u merkt, is de Vlaamse Regering niet over één nacht
ijs gegaan, maar hebben we ons grondig en uitvoering laten adviseren, ook wetenschappelijk.
De principiële beslissing steunt op een breed maatschappelijk draagvlak en is daarom ook
absoluut geen vrijgeleide voor de jagers.” U bent inderdaad niet over één nacht ijs gegaan.
Het heeft lang geduurd. Dat heeft natuurlijk ook een aantal oorzaken, bijvoorbeeld dat er
zulke uiteenlopende meningen over bestaan. Dat is ook geen schande. We hebben inderdaad
rond een aantal zaken een andere mening.
Minister, ik wil u herinneren aan een uitspraak die u eerder in deze commissie deed om het
parlement tot een overeenstemming te laten komen rond een oplossing voor de problemen die
gerelateerd zijn aan de predatie door de vos. U vond blijkbaar dat het lang genoeg geduurd
had en wou het over een andere boeg gooien. Nu komt u met een wijziging van het besluit,
waardoor het parlement weinig of geen zeggenschap meer heeft. U zegt dat u zich hebt laten
adviseren door INBO. Dat is volgens mij vatbaar voor interpretatie. Ik blijf bij het standpunt
dat u hiermee naar een lapmiddel gaat, een tijdelijke en plaatselijke oplossing. Daarmee zult u
echter de druk van de publieke opinie niet wegnemen, omdat u het vermeende probleem,
namelijk het feit dat mensen schade lijden door de terugkeer van de vos als toppredator in
Vlaanderen, niet wegneemt.
Ik durf ook te betwijfelen dat u daar een groot draagvlak voor hebt. We hebben inderdaad
allemaal mogen ervaren dat er een draagvlak is, maar dat is zowel voor als tegen. Die twee
houden elkaar in evenwicht.
Minister, ik pleit sowieso voor een grondige en goede evaluatie van de maatregelen, net
omdat er zo’n tegenstrijdige visies zijn. U hebt daar overigens niet echt op geantwoord. Die
tegenstrijdige visies zullen volgens mij blijven. Die evaluatie kan eventueel het besluit
bijsturen. Ik zou het betreuren indien deze piste niet in aanmerking wordt genomen. Ik
betreur het ook dat een open gesprek vooraf met het parlement over waar u met dit besluit
naartoe wilde en hoe u dat wilde bereiken, nooit heeft plaatsgevonden. Ik blijf dat betreuren.
Commissievergadering nr. C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012 11
De voorzitter: De heer Peeters heeft het woord.
De heer Dirk Peeters: Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben het er echter niet mee
eens. De toestand die nu gecreëerd wordt in Vlaanderen, is net zoals de huidige toestand in
het buitenland. De vos wordt altijd en overal bejaagd. Ik zal u verklaren hoe ik tot dat besluit
kom. Dat heeft bij mij niet veel te maken met een emotionele discussie, maar is gebaseerd op
wat inzicht en feiten.
Men kan de vos bejagen vanaf 1 oktober tot 14 februari. De dag nadien, 15 februari, begint de
periode van bijzondere bejaging. Die loopt tot 30 september. Op 1 oktober begint dan weer
de gewone jacht. Tussendoor is er nog een derde manier mogelijk, namelijk de bestrijding.
Dan komt u in uw decreet af met volgende bepaling in artikel 14, ten derde: “(…) op en
binnen een zone van maximaal 500 meter rond percelen waar schade kan worden aangericht.”
Als je het zo bepaalt en zo letterlijk omschrijft – “kan worden aangericht” – dan is dat ook
een synoniem voor overal. Kom nu niet af met emotiediscussies, het is gewoon letterlijk wat
er staat. Het is op de kalender twaalf maanden en het is overal. Laat daar geen
onduidelijkheid over bestaan.
U zegt dat u de Minaraad hebt gevolgd. U hebt de Minaraad niet gevolgd. U hebt nu geen
omschrijving van schade. U hebt nu geen omschrijving van wat er preventief had moeten
worden ondernomen. De Minaraad vraagt ook een inschatting te maken van de Vlaamse
vossenpopulatie. Dat hebt u ook nog niet gedaan.
De studie van INBO is op 26 oktober hier niet voorgesteld, maar in de toelichting erover
heeft men ook andere dingen gezegd. Heel belangrijk daarbij is dat de huidige wetgeving een
antwoord biedt op de problematiek en de schade aangericht door vossen. ANB, in het
bijzonder de veldwachters, en de bestrijding geven ons alle mogelijkheden om een antwoord
te bieden op het probleem. INBO heeft ook gezegd dat de vos een territoriumdier is. INBO
heeft ook gezegd dat de vos werkt met sociale regulering. INBO heeft ook gezegd dat de
problematiek van grondbroeders kan worden opgelost met het Soortenbesluit. Dat heeft de
Minaraad ook gezegd. Daar hebt u ook geen antwoord op gegeven.
Wat de problematiek van grondbroeders betreft, wordt er altijd verwezen naar het Zwin, waar
de vos de vogels heeft opgegeten. Neen, in het Zwin is er een problematiek van verzanding
en slib dat verdwijnt. Dat is de problematiek van de vogels daar. Kijk naar het Nederlandse
waddeneiland Terschelling. Daar komt de vos niet voor. De weidevogels gaan er met rasse
schreden op achteruit. Er broeit op heel Terschelling nog één wulp. Kijk op de website van
De Boschplaat. U zult de inventarisaties zien: elk jaar opnieuw gaan de vogels en de
grondbroeders achteruit, zonder de aanwezigheid van de vos.
Ik ga wel degelijk uit van enig wetenschappelijk inzicht. Ik ga wel degelijk uit van een
vergelijking met binnen- en buitenland. Deze maatregel is overkill, totaal overbodig in
Vlaanderen. Vandaar onze vraag om hem alsnog in te trekken.
Ik heb nog een bijkomende informatieve vraag. In het kader van de bijzondere bejaging wordt
gezegd dat de kastval gesloten moet zijn, aan de bovenkant afgedekt met planken of platen. In
het kader van de bestrijding wordt dat niet gezegd. Een open kastval met gaas of draad kan.
Waarom dat verschil?
De voorzitter: De heer Sanctorum heeft het woord.
De heer Hermes Sanctorum: Minister, aan de ene kant zijn er de rationele afwegingen en is
er de wetenschappelijke discussie. U schermt met wetenschappelijke argumenten maar aan
deze kant van de tafel wordt er ook geschermd met wetenschappelijke argumenten, ook van
INBO, ook van ANB. Er is het feit dat de vos inderdaad een territoriumdier is en zodra die
vos wordt afgeschoten, wordt die gewoon vervangen door een jonger dier. Dat zijn ook
wetenschappelijke feiten.
Commissievergadering nr. 12 C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012
Maar, minister, naast die wetenschappelijke argumentatie is er inderdaad het
maatschappelijke en misschien zelfs het emotioneel geladen debat. Daar wil ik nog het
volgende over kwijt. Minister, ik ben niet alleen, maar mijn maag keert om van deze
discussie. Waar gaat het over? U hebt het meermaals benadrukt: schade beperken. Schade
beperken en overlast voorkomen. Er bestaat een eenvoudige maatregel. De heer Ceyssens zei
daarnet dat hij even persoonlijk ging worden. Wel, ik zal ook even persoonlijk worden. Ik
ben ook opgegroeid in een bosrijk gebied. Daar leefden toen ook vossen. Wat doe je dan met
een kippenren? Je maakt een nachtslotsysteem, met een deurtje dat ’s nachts automatisch
dicht gaat. Wij hebben nooit meer een vos gezien die een van onze kippen had doodgebeten.
Er bestaan dus maatregelen om die schade te voorkomen.
Maar naar welk middel grijpt u, minister, duidelijk ondersteund door een aantal
parlementsleden? Het afknallen van de vos! Het vogelvrij verklaren van de vos! Dat is uw
oplossing in deze discussie om de schade te voorkomen!
Minister, aangezien er een veel meer humane oplossing is die ik daarnet heb toegelicht,
besluit ik daar één zaak uit. Minister, dit gaat helemaal niet over het beschermen van
neerhofdieren, laat staan van een aantal bodembroeders. Dit gaat over het genot van het
afschieten! Dit gaat over de trofee van de vossenstaart! Daar gaat dit over! Minister, ik vind
het schandelijk dat u als milieuminister u blijkbaar laat inschakelen en dat u de ruggengraat
niet hebt om te weerstaan aan de jachtlobby!
De voorzitter: De heer Ceyssens heeft het woord.
De heer Lode Ceyssens: Ik dacht dat we tot op heden een rationele discussie aan het voeren
waren, maar ik zie nu de emotionaliteit binnensluipen. Ik zal proberen rationeel te zijn.
Ik heb er inderdaad geen moeite mee, mijnheer Sanctorum, in tegenstelling tot andere
collega-parlementsleden, om dingen die mijn minster mee heeft goedgekeurd, hier ook te
verdedigen en hier niet een ander standpunt in te nemen. Uw pleidooi is eerder een totaal
anti-jachtpleidooi. Dan zitten we in een veel breder pleidooi dan waar we vandaag in zitten.
Mijnheer Peeters, ik heb bijzonder veel respect voor de manier waarop u uw vragen
onderbouwt. Maar als we spreken over gebieden waar geen grondbroeders aanwezig zijn,
ondanks het feit dat er geen vossen aanwezig zijn, heb ik niet gezegd dat de vos de enige
predator is van grondbroeders. Als we langs de andere kant alle randvoorwaarden proberen te
installeren om die grondbroeders er wel te laten gedijen, dan moeten we die predatiedruk
minstens durven te bekijken.
De heer Bart Martens: Iedereen haalt zowat zijn waarheid uit de hoorzittingen en de
wetenschappelijke studies die zijn voorafgegaan aan deze discussie. Ik denk dat de heer
Demesmaeker gelijk heeft en de heer Ceyssens deels ook, dat het bejagen van de vos
inderdaad kan helpen, maar tijdelijk en plaatselijk. De vraag is: hoe tijdelijk en hoe
plaatselijk? In welke mate geven we de mensen geen vals gevoel van veiligheid door nu de
verruimde bejaging op de vos toe te laten?
De heer Demesmaeker heeft ook gelijk als hij zegt dat preventie de absolute prioriteit moet
krijgen. Uiteraard zijn er mensen die niet altijd voor zonsondergang thuis zijn en die niet in
de mogelijkheid verkeren om elke avond hun kippenhok dicht te doen, maar elke schade die
op die manier zal ontstaan, laten bestrijden door de overheid, maakt dat je binnenkort ook de
steenmarter moet gaan bejagen en nog heel wat andere predatoren die vandaag vaak in een
zeer precaire situatie zitten. Is dat de weg die wij op willen? Is dat geen prijs die we moeten
betalen voor het in stand houden van populaties van dieren die vroeger met uitsterven
bedreigd waren en nu gelukkig aan het terugkomen zijn?
In Nederland en ook in andere landen heeft men inderdaad algemeen beslist om de
bejagingsmogelijkheden te verruimen. In Nederland kan men inderdaad het jaar rond op de
vos jagen en kan men dat zelfs bij nacht. Voor zover ik heb begrepen, is de schade die is
Commissievergadering nr. C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012 13
veroorzaakt door de vos, er niet door afgenomen. Het is nuttig dat we deze maatregelen gaan
evalueren. Ik wil er ook op aandringen – in denk dat het INBO daar goed voor geplaatst is –
om die versoepelde maatregelen in het buitenland eens na te kijken op hun effectiviteit. Wat
hebben die opgeleverd? Hebben die ervoor gezorgd dat er minder schade is? Voor zover ik
ben geïnformeerd, is dat alleszins niet het geval.
Minister, wat de impact op de populatie van de grondbroeders betreft, zoals de grutto’s, de
kieviten en de kleine strandplevieren, heb ik ook begrip voor het feit dat we die populaties
absoluut moeten beschermen. Als predatie daar een probleem is, dan moet daartegen worden
opgetreden. Ik denk dat je dat moet doen in het kader van soortenbeschermingsplannen,
waarin je alle positieve maatregelen neemt die die populaties in stand houden en bevorderen.
Dat heeft te maken met tijdstippen dat er bemest en bemaaid kan worden en met het
onderhoud en de aanleg van kleine landschapselementen. Er zijn sporadisch projecten in
Vlaanderen die de grondbroeders stimuleren, maar er is geen sprake van doeltreffende
soortenbeschermingsplannen daarvoor. Ondanks het feit dat onze natuurbehoudwetgeving
dergelijke plannen wel degelijk in het vooruitzicht heeft gesteld, wachten we daar nog altijd
op. Als u echt bekommerd bent om die grondbroeders, dan willen wij u vragen om heel snel
naar de Vlaamse Regering te stappen. Wat dat betreft krijgt u onze volle steun, en ik denk die
van alle coalitiepartners, om doortastende soortenbeschermingsplannen op tafel te leggen, die
ook al die andere randvoorwaarden hard maken die noodzakelijk zijn om de populatie van de
grondbroeders levensvatbaar te houden.
De heer Lode Ceyssens: Minister, uw repliek komt op het einde, zodat wij dan niet meer
kunnen repliceren. Ik wil nog meegeven dat we moeten durven te erkennen dat er de laatste
jaren al serieuze inspanningen zijn geleverd ten aanzien van kleine landschapselementen, en
dat er beheersovereenkomsten voor weidevogels zijn gekomen. We moeten niet doen alsof
we die zaken eerst moeten doen alvorens we over de vos gaan spreken. Er zijn al
gemeenschappelijke inspanningen gebeurd. Vele actoren hebben daar een bijdrage aan
geleverd. We moeten niet enkel over die zaken praten. Wat betreft predatie van de vos is dat
niet iets heiligs waarover niet mag worden gesproken en waarbij we de andere richting
uitkijken.
De heer Bart Martens: Mijnheer Ceyssens, ik wilde met mijn tussenkomst zeggen dat het
omgekeerde ook waar is. We moeten niet alleen spreken over het beteugelen van de predatie
als het ons te doen is om het in stand houden van de kwetsbare vogelsoorten. We moeten het
dan ook durven hebben over die andere maatregelen die noodzakelijk zijn en die in het kader
van de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden vormgegeven, die we eigenlijk
conform de Europese regelgeving al hadden moeten hebben voor onze Europees beschermde
zones. We moeten het ook durven hebben over de soortenbeschermingsplannen die veel
verder kunnen gaan en die spijtig genoeg nog altijd op zich laten wachten. Ik wil het debat
niet verengen tot het bestrijden van predatie en de rest laten liggen. Het moet een enenverhaal
zijn. Het tweede deel van het verhaal laat nog op zich wachten.
De voorzitter: Minister Schauvliege heeft het woord.
Minister Joke Schauvliege: Ik wil nog een aantal zaken duidelijk stellen. Mijnheer
Demesmaeker, ik ben blij dat u van inzicht veranderd bent. Oorspronkelijk zei u dat de vos
vogelvrij was verklaard. Daarnet zei u dat de maatregel die ik heb genomen, maar zeer
beperkt is en maar een heel tijdelijke ingreep is, die echter geen effect zal hebben. Ik merk
een enorme evolutie in uw denken. Ik ben blij dat u met mij bevestigt dat dit een heel
beperkte maatregel is en dat de vos absoluut niet vogelvrij verklaard is.
U zegt zelf dat ik u de kans heb gegeven om vanuit het parlement met een resolutie te komen.
Dat klopt. Daarom heeft het heel lang geduurd. Maar tot op heden is er geen resolutie. We
kunnen daar niet op blijven wachten. Er is in de commissie nog niet gestemd over een
voorstel van resolutie met een ruime meerderheid. Ik denk dat we bijna een jaar hebben
gewacht op de resolutie naar aanleiding van de hoorzittingen. Maar we hebben er geen
Commissievergadering nr. 14 C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012
gezien. De Vlaamse Regering heeft dan toch een beslissing genomen en haar
verantwoordelijkheid genomen.
Als u verwijst naar een maatschappelijk draagvlak waarover we spreken in reacties die we
hebben gegeven, dan wijst dat op een unaniem advies van de Minaraad. Ik kan alleen maar
vaststellen dat er een unaniem advies is. Iedereen is vertegenwoordigd in de Minaraad. We
werken ook aan een definiëring van de schade, mijnheer Peeters. We werken dat absoluut uit.
Ook in die bepaling leggen we de nadruk op preventieve maatregelen.
Daarom zullen we boek voor good practices opmaken en een folder die heel duidelijk is voor
de bevolking over hoe je preventief kunt zorgen dat pluimvee beschermd wordt. Het is een
verhaal van een heel tijdelijke mogelijkheid tot bestrijding, van een mogelijkheid tot het
definiëren van de schade, en van een heel duidelijke preventieve campagne voor de
bevolking. We voeren dus uit wat de Minaraad unaniem heeft beslist. Dat wijst toch op een
maatschappelijk draagvlak. Maar blijkbaar is dat voor sommigen niet zo, waarvan akte.
Mijnheer Peeters, u hebt nog een heel concrete vraag gesteld over de kastval. Het klopt dat
we beslist hebben om het gebruik van de kastval te beperken en te zorgen dat bijvoorbeeld
roofvogels niet worden aangetrokken door dat lokaas.
Daarom willen we een soort ‘good practices’-handboek opmaken met een folder voor de
bevolking die heel goed duidelijk maakt hoe het pluimvee preventief kan worden beschermd.
Het gaat dus ten eerste om een heel tijdelijke mogelijkheid tot bestrijding, ten tweede om het
definiëren van de schade en ten derde om een heel duidelijke preventieve campagne ten
aanzien van de bevolking. We voeren dus uit wat de Minaraad unaniem heeft beslist en ik
meen dat dit wijst op een maatschappelijk draagvlak. Blijkbaar is dat voor sommigen niet zo,
waarvan akte.
De heer Peeters stelde een heel concrete vraag over de kastval. Het klopt dat we hebben
beslist om de kastval te beperken, om ervoor te zorgen dat roofvogels die vliegen, niet
worden aangetrokken door het lokaas. We hebben beslist om een kastval te maken die dicht
is, dan kunnen roofvogels niet worden aangetrokken. In de bestaande kastvallen werd daar
niet in voorzien, maar inzichten veranderen. Het moet de bedoeling zijn om dit in de
bestrijding aan te pakken.
Er waren een aantal verwijzingen naar het buitenland. Ik heb de studie van het INBO mee. Ik
heb er letterlijk uit geciteerd, we volgen wat het INBO zegt. Er is ook verwezen naar het
buitenland, naar de effecten daar. Ik raad iedereen aan om de studie nog een keer goed te
lezen.
Mijnheer Martens, u probeert de discussie op de grondbroeders te richten. Ik heb in eerste
instantie – het is trouwens een beslissing van de Vlaamse Regering – verwezen naar een
aantal schadegevallen, vooral wat pluimvee betreft. De heer Ceyssens vroeg me hoe het zat
met de grondbroeders en ik heb geantwoord dat we bezig waren met een soort telling om te
bekijken wat de effecten zijn. Het is een pilootscreening of -monitoring, onder meer op de
Linkerscheldeoever. Ik vind het absoluut niet terecht dat u zegt dat we de IHD’s al lang
hadden moeten hebben. Ik heb hier al gezegd dat men vanuit Europa speciaal naar onze
aanpak komt kijken omdat men het zo een goede aanpak vindt dat we van bij het begin alle
actoren samen zetten, van onderuit te beginnen, om zo tot een goed gedragen voorstel te
komen. Men is komen kijken naar hoe we het hier doen en men heeft ons gefeliciteerd met de
aanpak van het INBO. Wij financieren ook mensen die voor al die maatschappelijke
doelgroepen het IHD-proces mee kunnen ondersteunen. We financieren hen vanuit de
overheid. Hier zeggen dat er geen werk wordt gemaakt van de IHD, vind ik bijzonder erg en
absoluut niet terecht. Het is ook zo dat er in de Vlaamse Regering al een belangrijk pak van
de eerste IHD’s is goedgekeurd. De rest komt eraan.
Ook aan het Soortenbeschermingsbesluit wordt gewerkt. Het zal binnenkort klaar zijn.
Commissievergadering nr. C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012 15
Ik wil nog een laatste element meegeven. Een aantal onder u proberen het serene debat dat we
hier gevoerd hebben, op de ene of de andere manier emotioneel te overvleugelen. Ze hebben
er blijkbaar plezier in om het te hebben over ‘afknallen’. Ik vind dat dit absoluut niet ter zake
doet, dat het totaal misplaatste reacties zijn – ik laat ze voor uw rekening, mijnheer
Sanctorum. Tot nu hebben we er in het parlement op een serene en goede manier over kunnen
discussiëren. Het is de manier waarop we dit moeten aanpakken.
Het spreekt voor zich, mijnheer Demesmaeker, dat als we over een aantal jaar zouden zien
dat het een goede maatregel is of niet, we bereid zijn om een evaluatie te doen. Ik zie niet in
waarom we dat niet zouden doen, maar ik wil er geen exacte timing op plakken, want dan
krijg ik over een paar maanden weer de vraag wat de effecten zijn van de maatregel die ik
genomen heb.
Ik wil er ook op wijzen dat we heel expliciet hebben bepaald dat er niet mag worden gejaagd
in de buurt van vossenburchten waar jongen zitten. We willen echt voorkomen dat daar wordt
gejaagd. In het buitenland is dat wel toegelaten. Wij hebben alles heel gematigd gedaan en
heel beperkt om te voorkomen dat de vos vogelvrij zou worden verklaard. Het is dus een heel
beperkte uitbreiding van de mogelijkheid tot bejaging van de vos, gebaseerd op het advies
van de Minaraad en op een studie van het INBO.
De voorzitter: De heer Demesmaeker heeft het woord.
De heer Mark Demesmaeker: Minister, het is niet zo dat ik nu van mening ben veranderd.
De maatregel leidt ertoe dat er tijdelijk en plaatselijk misschien effect kan optreden. Er zal
tijdelijk en plaatselijk massaal gejaagd worden. De vraag is alleen of dit een oplossing is voor
het beheersen van de schade. Ik denk dat u zich een beetje vergist, dat u niets anders doet dan
de mensen de illusie geven dat hun kippen en ganzen veilig zullen zijn. Dat zal niet het geval
zijn; ik herhaal nogmaals dat ze alleen veilig zullen zijn wanneer men aan preventie doet.
Ik loop ondertussen ook al meer dan een halve eeuw op deze aardbol rond. Ik woonde ook op
het platteland en we hielden kippen. Ik heb altijd geleerd, van kindsbeen af, dat ’s avonds de
kippen binnen moeten, punt aan de lijn. Het ging trouwens niet alleen om de vos, die er toen
nog was, er zijn ook andere predatoren die rondlopen. Het was een van mijn taken als jonge
knaap om de kippen en ganzen binnen te zetten. Dat is de enige manier om de mensen het
gevoel van veiligheid te geven.
Ik hoor dat u een preventiecampagne zult starten. Dat hadden we natuurlijk eerst kunnen
doen. We hadden dat eerst kunnen doen, dan evalueren en dan zien waar we naartoe moesten
gaan in plaats van omgekeerd. Lokaal hebben we heel sterk ingezet op preventie. We hebben
mensen informatie gegeven, zelfs in een demotuin, over hoe ze op een eenvoudige manier
hun kippenren kunnen beschermen. Natuurlijk doorkruist deze maatregel onze inspanningen
nu een beetje. U gaat de mensen nu zeggen dat ze dit minder of niet moeten doen, omdat de
vos lokaal en tijdelijk intensief zal worden bejaagd zodat ze van hun probleem verlost zijn.
Daar draait het natuurlijk om: het beheersen of vermijden van schade. De vos wordt nu een
beetje beschouwd als ongedierte dat moet worden bestreden omdat het schade toebrengt,
omdat het kippen en ganzen steelt en doodt. Biodiversiteit is natuurlijk wel wat anders dan al
die vieze beesten bij elkaar. De vos is in mijn ogen geen ongedierte; het is een predator die
zijn plaats heeft en die aan sociale regulatie doet. We zouden heel blij moeten zijn dat de vos
terug is in Vlaanderen.
Ik ben benieuwd naar wat ANB over de schade te zeggen heeft. Ik heb vandaag van u
gehoord dat ANB dat begrip nader zal verduidelijken tegen dat de definitieve beslissing zal
worden genomen. Ik ben benieuwd hoe ANB dit ziet. Het is trouwens zo dat men de melding
moet doen bij ANB, waarna een beslissing wordt genomen. Is het vergezocht wanneer ik zeg
dat dit wel eens voor problemen in de praktijk zou kunnen zorgen, dat ANB zal worden
bestookt met vragen? Het kan heel simpel: via een e-mail. Niets is simpeler dan een e-mail.
Zwijgen is toestemmen, na amper 24 uur heeft men dus de toelating om meteen te beginnen
Commissievergadering nr. 16 C126 – LEE20 (2011-2012) – 7 februari 2012
jagen. Ik blijf dit een bedenkelijke manier van werken vinden. Ik hoop dat we naar een
grondige evaluatie hiervan gaan. Goed bestuur betekent durven evalueren. We zullen dit van
nabij blijven opvolgen.
De voorzitter: De heer Peeters heeft het woord.
De heer Dirk Peeters: Voorzitter, minister, ik betreur dat u de bestaande mogelijkheden niet
meer hebt benut. Er was een waaier aan mogelijkheden om dit probleem voor een stuk op te
lossen.
Ik zou graag ingaan op de grondbroeders, maar dat zou tot een heel ander debat leiden. Een
ding is zeker: als u wat wetenschappelijk werk raadpleegt, zult u vlug doorhebben dat het niet
de vos is die aan de grondbroeders schade toebrengt. Als de populatie grondbroeders groot en
sterk genoeg is, dan kan het geen kwaad dat er af en toe een kievit verdwijnt. Er zijn andere
factoren die aan de grondslag liggen. Als we de mening toegedaan zijn dat we aan ecologisch
herstel doen via de geweerloop, dan zijn we totaal fout bezig. Ecologisch herstel gebeurt door
een evenwicht dat er in de natuur is en dat op zichzelf functioneert. We moeten in dat
systeem beter niet al te veel ingrijpen.
Minister, heb ik u goed begrepen dat de kastvaltekst nog wordt aangepast wat de bestrijding
betreft? U knikt.
Voorzitter, ik kondig een motie aan.
De heer Pieter Huybrechts: Voorzitter, collega Sintobin kon hier niet aanwezig zijn om ons
standpunt te vertolken omdat hij vastzit in een commissie, maar wij willen ook een met
redenen omklede motie aankondigen.
Met redenen omklede moties
De voorzitter: Door de heer Peeters en door de heer Huybrechts werden tot besluit van deze
interpellatie met redenen omklede moties aangekondigd. Ze moeten zijn ingediend uiterlijk
om 17 uur op de tweede werkdag volgend op de sluiting van de vergadering.
Het incident is gesloten.





Neen aan de plannen van het NIRAS om kernafval in de Kempense kleilagen te dumpen! 


voor mij is het nog onduidelijk
de patrijs een akkervogel staat op de rode lijst als in gevaar
jaarlijks worden er in Vlaanderen meer dan 10 000 geschoten is dat nog verantwoord daar kan de toch vos niks aan doen
en die kastval mag daar nu nog aas in gebruikt worden ?zo ja dan gaan er nog egels marters katten die beschermt zouden moeten zijn mee gevangen worden wie gaat dat dagelijks kontroleren?
ik denk dat ze in Brussel niet goed weten hoe het er op de buiten aan toe gaat